9 maart 2026

Malen, maar alleen bij windkracht vier

Flits, flits, flits…. Iedere paar seconden valt een schaduw door het raam. De straalkachel boven de houten tafel geeft wat warmte af, terwijl Joyce roze koeken uitdeelt voor bij de thee. Ook op een kille februarizaterdag heeft ze de wieken van molen De Leest opgezeild om klaar te zijn voor de wekelijkse draaidag. Er staat te weinig wind om de molenstenen in beweging te krijgen voor het malen van meel. Maar draaien kunnen de wieken wél bij dit weer. Staand op de belt van de molen, wijst Joyce naar een nieuwe schuur vlakbij. ‘Die zou eerst hoger worden, maar is toch aangepast zodat de molen kan blijven draaien.’ Op dins- en zaterdagen draait de molen vaak, maar alleen als de wind sterk genoeg is koppelen Joyce en haar collega’s de molenstenen en malen ze meel.

Erfgoedbeoefenaars als Joyce zijn een belangrijke schakel in de zorg voor een collectief ‘goed’. Het zit ook in de naam cultureel erfgoed. Waar dat woord ooit verwees naar een letterlijke nalatenschap van spullen en grondbezit, gebruiken we dit begrip nu breder en vallen er ook bijvoorbeeld gebruiken, talen en landschappen onder. Erfgoed lijkt daarmee over ‘alles’ te gaan dat we door willen geven aan de toekomst. Maar in een wereld die snel verandert, heeft erfgoed ook een ‘status aparte’: door een object te koesteren en te beschermen tegen verandering, verandert het juist onherroepelijk. In deze blog sta ik stil bij de ontwikkeling van het molenaarschap en de molen als erfgoed dat hetzelfde is gebleven en tegelijkertijd bijna onherkenbaar verandert. Zo komt de molen op een erfgoedvoetstuk te staan, op afstand van het snel veranderende landschap eromheen. Zijn die twee werelden voorgoed gescheiden, of is er ook herontmoeting mogelijk?

Wortels in de veranderende landbouw

De Leest werd in 1899 gebouwd als de tweede korenmolen van Lieshout, een dorp in het Land van de Peel. Op afstand van het dorp verrees hij, zodat de wieken vrije windvang hadden. Dit gebied was in de negentiende eeuw een gebied van kleine boerderijen, waar gezinnen gezamenlijk hun eigen voedsel produceerden. Doorgaans zorgden de vrouwen bij de boerderij voor kinderen en dieren. Het vee graasde overdag buiten, maar kreeg op stal pap bijgevoerd, waarin gemalen graan, groenten en soms ook stro was gemengd. Ook maakten ze boter. De mannen reden de stalmest uit, ploegden, zaaiden en oogsten. Boeren hielpen elkaar bij het dorsen van graan. De uitgestrekte heide werd gezamenlijk beheerd als begrazingsgebied en voor heideplaggen in de potstal. Families hadden een eigen boerderij, maar beheerden ook samen faciliteiten en gebieden. Dat soort bronnen zijn gemeengoed, of ‘commons’ in de woorden van de wereldberoemde politicologe Elinor Ostrom.

Schoorvoetend begonnen zich veranderingen veranderingen af te tekenen in dat boerenlandschap tegen het einde van de negentiende eeuw. En de molen De Leest is daar een teken van. Er werden nieuwe wegen en spoorwegen aangelegd, waarmee boerenproducten zoals vlees en boter nieuwe klanten konden bereiken in Engeland. Ook begonnen boeren op nieuwe manieren hun land te bewerken, waarbij ze zich gaandeweg toelegden op het houden van vee. Ze sloegen de handen ineen in regionale samenwerkingsverbanden. Zo leerden ze nieuwe technieken om hun inkomsten te verhogen. Waar de heide eerder gezamenlijk werd beheerd, kwam deze nu in private handen en werd ontgonnen en voor bosbouw benut. In Lieshout verrees in 1897 een boterfabriekje met de naam ‘Landbouwers welvaren’. Daar vervingen nieuwe apparaten als handkracht-melkcentrifuges het boterkarnwerk op de boerderij. Waar het land geschikt was voor akkerbouw, groeide vaak rogge, dat aan de groeiende aantallen koeien werd gevoerd. En om dat graan te malen, waren meer molens nodig. En zo kwam de commercialisering en mechanisering van de Brabantse landbouw op gang. De traditionele samenwerking van de boeren werd succesvol ingezet voor de groei van de individuele welvaart (Thissen, 1993).

Ambacht op een sokkel

Het kost wat moeite om door de openslaande deuren te manouvreren. Joyce helpt molenaarsleerling Rens (13) bij het naar buiten rijden van een zelfgebouwde modelmolen in donkergroen en rood-wit-blauw. De wieken worden eraan geschroefd en ook hier komt een hekje om heen te staan, zodat niemand een beruchte klap van de molenwiek hoeft op te lopen.

Joyce hoort bij de tweede generatie vrijwillige molenaars van De Leest. ‘Ik ben veel verschillende dingen [vrouw, ingenieur, hr-expert, geadopteerde Brabantse]. Molenaar is het meest Nederlandse deel van mijn identiteit. Ik vind dit gewoon vet. De techniek van het malen. Nederland heeft me zoveel gegeven, ik vind het te gek om zo iets terug te doen.’

Op dins- en zaterdagen draait de molen vaak, want dan zijn de vrijwillige molenaars op de molen. Maar alleen als de wind krachtig genoeg is malen Joyce en haar collega’s er graan mee. Waar de molen vroeger al met windkracht twee kon malen, is daar nu minstens windkracht vier voor nodig. Ooit gebouwd met een vrije windvang buiten het dorp, is de molen in de jaren zeventig en tachtig door een woonwijk ingesloten. De molenbiotoop werd daarmee flink verstoord.

Op dat moment was de molen al erfgoed. Een foto uit 1959 laat zien hoe de wieken vermolmd boven de belt uitstaken, die overgroeid was met struiken. Het verval zette ook nog een paar jaar door nadat experts van der Rijksdienst voor de Monumentenzorg de molen tot Rijksmonument aanwezen, in 1968. Zes jaar later kocht de gemeente de molen op. De struiken verdwenen, nieuw glas in de ramen geplaatst en er kwamen nieuwe wieken. Opnieuw maalt de molen, nu bemenst door molenaars in hun vrije tijd. En daarmee was Lieshout een nieuwe gemeengoed rijker. In eigendom van de gemeente, bemenst door geschoolde en ervaren liefhebbers in hun vrije tijd of tijdens hun pensioen.

De Leest staat er goed bij en er is aanwas onder de molenaars. Die zijn hard nodig om de molen te onderhouden en de benodigde kennis door te geven. Binnen een half jaar is het anders gedaan met de houten, bewegende delen van deze vroeg-industriële machine. ‘Het is wachten op een nieuw wiekenkruis van de gemeente, dan kunnen we weer een tijd vooruit.’ Jonge molenaars worden opgeleid binnen het Gilde en de liefde voor het ambacht wordt doorgegeven. Al maakt Joyce zich wel zorgen over jonge aanwas en de kwaliteit van het onderwijs dat zij krijgen.

De gepensioneerde molenaars van de Leest zijn doordeweeks vrij. Zij halen het graan voor de molen dan op in Erp, bij Fransen Gerrits. Ook dit molenaarsbedrijf stamt uit de periode 1900, toen de veeteelt in Brabant een schaalsprong maakte. Waar molenaar De Leest verloor met zijn ambachtelijke werkwijze snel terrein na de Tweede Wereldoorlog, wist Fransen Gerrits de schaalvergroting bij te houden en te specialiseren tot een grootschalige leverancier van veevoeders met drie grote fabrieken. Nu worden de restanten graan uit de graansilo’s in Erp voor de vrijwillige molenaars in zakken gedaan. Om zelf te malen in de Lieshoutse molen.

Fransen Gerrits is één van die regionale bedrijven die een belangrijke rol spelen in de groei die de landbouw in Noord-Brabant heeft doorgemaakt. Net als dit bedrijf, hebben de boerderijen zelf óók een onherkenbare sprong in schaal genomen. Zo groot dat de wal het schip lijkt te moeten keren, redeneert het Planbureau voor de Leefomgeving. De stikstofcrisis, te lage grondwaterstanden en gezondheidsproblemen door pesticiden geven de grenzen aan van deze vorm van agrarische groei. De teruglopende natuurwaarden in de regio liegen er niet om.

In de tijd dat de landbouw vercommercialiseerde voorbij de draagkracht van het landschap, werd De Leest tot erfgoed verklaard. Daardoor kwam er ruimte voor waardering van de molen zónder een economisch nut. Ruimte voor de liefde van Joyce voor het opzeilen, invetten van de unieke gietijzeren molenas en het malen van graan. En voor het plezier en de verwondering van mensen die op zaterdag even in de molen komen kijken, die worden ontvangen met enthousiaste uitleg, een film en live demonstraties. Een gemeengoed nieuwe stijl, dat gehoor geeft aan de vraag naar authentieke belevenissen en voedsel met een herkenbaar verhaal (De Jonge, 2014).

De schakel tussen de molenaars van De Leest en de agrarische sector in het Land van de Peel lijkt daarmee flinterdun geworden. De beltmolen is daarmee een eilandje gemeengoed, dat niet veel meer van doen heeft met z’n volgebouwde molenbiotoop of de landbouwproductieketen. Dat hoeft misschien niet zo te blijven. Noord-Brabantse watermolenaars langs de Dommel hebben al laten zien wat er mogelijk is als ze hun kennis en erfgoed inbrengen in innovatieve netwerken. Waar het daar draaide om waterberging en ecologie, ligt het potentieel van de Leest in het produceren en consumeren van producten op een schaal die bij de draagkracht van het landschap past. De technische interesse, de kennis van het ambacht op kleine schaal en de sterke sociale netwerken van molenaars zoals Joyce kunnen ook in Lieshout zaaigoed zijn.

7 jan 2026
 

Sleeën, nu het nog kan!

Hard steken de zwarte contouren van de bomen af tegen de loodgrijze lucht. Besneeuwde vingers van een eenzame handschoen steken door een tuinhek. Kinderstemmen scheren voorbij als loeiende sirenes van avontuur op topsnelheid. Daarvoor zijn ze hier naartoe gekomen uit heel Hilversum. Op besneeuwde winterdagen als deze is De Berg bij Anna’s Hoeve de meest populaire plek van de stad. 

Ik had me de eerste werkdag als bijzonder hoogleraar Erfgoedparticipatie en de regio aan de Universiteit Tilburg iets anders voorgesteld. Een rondleiding over campus en wennen aan een nieuwe werkplek moeten even wachten. Er rijdt geen trein en de oppas blijft uit voorzorg thuis. Ik waag dus maar een dodemansritje per slee.

Het sneeuwt niet vaak zo veel als deze eerste week van januari 2026. Nieuwswebsites en Google AI schotelen me cijfers voor van historische records, waarbij de winter van 1979 eruit springt als de sneeuwstorm van de negentiende eeuw. De ontregeling die met de sneeuw gepaard gaat laat echter ook zien dat Nederland niet echt is ingesteld op dit winterweer. 

Bij besneeuwde landschappen denk ik ook eerder aan Zweden, Zwitserland of Canada. Skiën doen we in de Alpen en voor langlaufen hebben we niet eens een Nederlands woord. De wintertenen gaan pas echt tintelen als vaarten en meren dichtvriezen; bij veel Nederlanders, maar vooral toch bij de Friezen.  

In sommige regio’s speelt de winter een centrale rol in de ‘regionale identiteit’, zoals in Friesland door de Elfstedentocht. Als kind nam mijn vader me mee op oudejaarsdag, om te gaan kijken bij onze dorpsgenoten en hun tot kanon omgebouwde melkbussen. In heel Drenthe (en daarbuiten) rinkelen de ruiten en schrikt de natuur zich een ongeluk tijdens het carbidschieten. 

In Scandinavië is de winter ook nauw verbonden met regionale identiteit, met een iets minder hoog adrenalinegehalte welteverstaan. Besneeuwde landschappen reflecteren het schaarse licht in de lange, schemerduistere uren. Althans, als we het boek Nightlands van architectuurhistoricus Christian Norberg-Schulz erop nalezen. 

Er is stabiliteit nodig om je ergens thuis te voelen, zegt hij: 

The word “durable“ is significant because it intimates that all transformations which are the signs of life, must be referred to something that remains, to be meaningful (p.15). 

Hij vindt deze in de natuurlijke omstandigheden van de regio en de bouwtradities waarmee mensen daar een thuis van maakten (p. 51). Er is ook een Droste-effect in zijn boek te vinden. Want Norberg-Schulz schept in feite een eigen Scandinavië door deze regio te beschrijven (te bejubelen) in een boek met prachtige platen. Hij creëert door te schrijven een werkelijkheid die hij toevoegt aan de veelvoudige werkelijkheid. Dat doet hij in een weergave op papier, als een stukje erfgoed dat hij koestert en wil delen met zijn lezers. Daar wordt Scandinavië misschien wel meer Scandinavisch van dan daarvoor. 

De laatste editie van de tocht der tochten kan ik me herinneren om de collage van nieuwsberichten die ik maakte in klas zes van de basisschool. De winters in Scandinavië zullen nog wel een tijdje wit blijven, maar de Elfstedentocht lijkt vooral een roemrucht item te worden op een lijst van immaterieel erfgoed. Het carbidschieten gaat nu op veel plekken aan banden vanwege de veiligheid en impact op dieren in natuurgebieden. 

En wat doet dat dan met regionale identiteit? Smelt die weg met klimaatverandering en pogingen om kwetsbare natuurwaarden te behouden? Of wordt Friesland juist nog meer Fries met een museale Dag van de Elfstedentocht, ook als er geen ijs ligt? 

Collega’s wensen me via de socials een fijne middag op de slee, want ‘zo vaak kan dat niet’. Sleeën is altijd leuk, maar extra bijzonder als je er maar zelden de kans toe krijgt. Wat schaars is koesteren we nou eenmaal zorgvuldiger. Zo zal het met die regionale identiteit ook wel loslopen, is mijn voorzichtige inschatting. Al trekken we er misschien minder vaak handschoenen bij aan. 

 

Artikelen

© Copyright. Alle rechten voorbehouden.

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.