
Erfgoed met vuile handen

8 mei 2026
Een luchtkasteel aan de Keersop: hoe Bergeijk zijn verdwenen erfgoed nieuw leven wil inblazen
‘De beroemde kunstschilders Jan en Hubert van Eyck hebben hier 600 jaar geleden gespeeld . En wíj zoeken het bordje waarop dat staat vermeld,’ zegt Bergeijkenaar en aanjager van het Kasteelprogramma Rob Lohman met een kwinkslag. Van de vermeende geboorteplaats van de schilders is al twee eeuwen weinig meer terug te vinden. ‘Alle bakstenen van het kasteel zijn verkocht en elders hergebruikt’, voegt dorpsgenoot Hans Verdonk eraan toe. In de bodem getuigt alleen steengruis nog van het verdwenen slot.
Ontmoetingsplek voor geschiedenis, landschap en gemeenschap
Toch leeft het kasteel nog volop in Bergeijk. Sterker nog: als het aan Lohman, Verdonk en andere leden van de lokale erfgoedgemeenschap ligt, herrijst het ooit opnieuw aan de oever van de Keersop, midden in het Brabantse Dommeldal. Hun ‘luchtkasteel’ moet geen fantasie blijven, maar een plek worden waar geschiedenis, landschap en gemeenschap samenkomen.
Tussen fantoompijn en erfgoedfantasie
In de vroege lentezon lopen we over een grindpaadje, omzoomd door gras en een jong boomgaardje. Schapen grazen in de aangrenzende wei met hun pasgeboren lammetjes. Een doorzichtig bord en een aarden wal verwijzen naar de plek waar de kasteelgracht moeten hebben gelegen. En dat kasteel wordt dus door sommigen in verband gebracht met de befaamde schildersbroers Van Eyck.
Vertegenwoordigers van Heemkundekring Bergeijk, kunstenaars en vrijwilligers van het lokale Cultuurhuis zetten zich samen in voor reconstructie van erfgoed dat al eeuwen niet meer bestaat. Dat gebeurt op meer plekken in Nederland. In het Friese plaatsje Bears is een oude ‘state’ nagebouwd in staal. En ook in Nijmegen leefde de wens om het donjon van Barbarossa te herbouwen. Op dit moment is in Zwolle een project gaande om te verkennen of de verdwenen toren van de Grote Kerk kan worden herbouwd. In sommige gevallen – bijvoorbeeld na een ramp, of vernieling door oorlog – spreken we dan weleens van ‘fantoompijn’: het verdriet dat mensen hebben om het gemis van dierbaar erfgoed. Om het verdwenen kasteel lijkt in Bergeijk geen sprake van fantoompijn; eerder van erfgoedfantasie om Bergeijk op de kaart te zetten bij bezoekers en bewoners.
Rouwen om de ruilverkaveling
Maar fantoompijn is er wél: om het verlies van natuur en landschap door de ruilverkaveling van 1972. Toen is er volgens Verdonk ‘heel veel kapot gegaan’. Verdonk laat een historische kaart zien, waarop met groene stipjes de bomen langs de sloten in het beekdal zijn ingetekend. Hij vond dat toendertijd al jammer, en dat is nooit over gegaan. Verdonk weet ook waar hij het over heeft: hij groeide hier op en tijdens zijn loopbaan maakte hij namens de gemeente de aanleg- en beheerplannen voor het groen in de gemeente. Nu hij met pensioen is, doet hij historisch onderzoek naar het verdwenen kasteel en het omliggende beekdal.
In tegenstelling tot beken in de omgeving is de Keersop – een zij-arm van de Dommel – niet gekanaliseerd. Maar wie naar zijn kaarten kijkt, snapt waar Verdonk om rouwt. Het kleinschalige beekdallandschap dat hier in de afgelopen eeuwen ontstond veranderde drastisch met de intensivering van de landbouw. En dat ziet de erfgoedgemeenschap graag teruggedraaid.
En daarin staan ze zeker niet alleen. Ook terreinbeheerders denken aan landschapsherstel. Een maximale opbrengst is niet meer de eerste zorg van overheden en terreinbeheerders. Hun aandacht gaat steeds meer uit naar de effecten van klimaatverandering en intensief landgebruik op natuur en landschap. Staatsbosbeheer heeft een deel van het beekdal in beheer en is al langere tijd bezig met het gedeeltelijk terugdraaien van de ruilverkaveling, om de vissoort de ‘beekprik’ de ruimte te geven. Ook vergroot de gemeente de regenwaterafvoer van het dorp en is het waterschap De Dommel bezig de waterberging en ecologie van de Keersop te verbeteren. Burgers werden uitgenodigd hun wensen voor de plannen in te brengen. Op een digitale kaart is te zien hoe leden van belangengroepen en vrijwilligersorganisaties zich hard maken voor toegankelijkheid, biodiversiteit en het de erfgoedwaarde van knotwilgenrijen, houtsingels en de openheid van de beemden. Ook is een pleidooi te lezen voor het opnieuw zichtbaar maken van de verdwenen watermolens langs de beek en het gebruiken van historische bronnen om goed met dit landschap om te gaan. Verdonk en zijn ‘collega’s’ staan ook niet langs de zijlijn: ze dragen actief bij aan het terugbrengen van elzensingels, boomgaarden en andere gebiedseigen landschapselementen in de plannenmakerij van overheidspartijen.
Erfgoedherstel brengt mensen samen en creëert kansen
De jonge elzensingel is één keer gesnoeid, maar de uitlopers zijn alweer meters hoog. Eens in de zeven jaar worden ze teruggezet, zoals dat vroeger ook ging. Een stukje beekdal-landschap is dus al hersteld. Maar om tot een reconstructie te komen van het kasteel moet er nog veel water door de Keersop. Er zijn ook wel redenen te bedenken waarom et kasteel er misschien niet zou moeten komen. Want hoe meer erfgoed je ‘maakt’, hoe meer je hebt om voor te zorgen.
Maar luchtkastelen zijn wél belangrijk. Omdat het krachtige droombeelden zijn, die mensen bij elkaar brengen tot gesprek. Over een gemeenschappelijke toekomst gebaseerd op een “echt” verleden, of iets dat daarvoor door kan gaan.



9 maart 2026
Malen, maar alleen bij windkracht vier
Flits, flits, flits…. Iedere paar seconden valt een schaduw door het raam. De straalkachel boven de houten tafel geeft wat warmte af, terwijl Joyce roze koeken uitdeelt voor bij de thee. Ook op een kille februarizaterdag heeft ze de wieken van molen De Leest opgezeild om klaar te zijn voor de wekelijkse draaidag. Er staat te weinig wind om de molenstenen in beweging te krijgen voor het malen van meel. Maar draaien kunnen de wieken wél bij dit weer. Staand op de belt van de molen, wijst Joyce naar een nieuwe schuur vlakbij. ‘Die zou eerst hoger worden, maar is toch aangepast zodat de molen kan blijven draaien.’ Op dins- en zaterdagen draait de molen vaak, maar alleen als de wind sterk genoeg is koppelen Joyce en haar collega’s de molenstenen en malen ze meel.
Erfgoedbeoefenaars als Joyce zijn een belangrijke schakel in de zorg voor een collectief ‘goed’. Het zit ook in de naam cultureel erfgoed. Waar dat woord ooit verwees naar een letterlijke nalatenschap van spullen en grondbezit, gebruiken we dit begrip nu breder en vallen er ook bijvoorbeeld gebruiken, talen en landschappen onder. Erfgoed lijkt daarmee over ‘alles’ te gaan dat we door willen geven aan de toekomst. Maar in een wereld die snel verandert, heeft erfgoed ook een ‘status aparte’: door een object te koesteren en te beschermen tegen verandering, verandert het juist onherroepelijk. In deze blog sta ik stil bij de ontwikkeling van het molenaarschap en de molen als erfgoed dat hetzelfde is gebleven en tegelijkertijd bijna onherkenbaar verandert. Zo komt de molen op een erfgoedvoetstuk te staan, op afstand van het snel veranderende landschap eromheen. Zijn die twee werelden voorgoed gescheiden, of is er ook herontmoeting mogelijk?
Wortels in de veranderende landbouw
De Leest werd in 1899 gebouwd als de tweede korenmolen van Lieshout, een dorp in het Land van de Peel. Op afstand van het dorp verrees hij, zodat de wieken vrije windvang hadden. Dit gebied was in de negentiende eeuw een gebied van kleine boerderijen, waar gezinnen gezamenlijk hun eigen voedsel produceerden. Doorgaans zorgden de vrouwen bij de boerderij voor kinderen en dieren. Het vee graasde overdag buiten, maar kreeg op stal pap bijgevoerd, waarin gemalen graan, groenten en soms ook stro was gemengd. Ook maakten ze boter. De mannen reden de stalmest uit, ploegden, zaaiden en oogsten. Boeren hielpen elkaar bij het dorsen van graan. De uitgestrekte heide werd gezamenlijk beheerd als begrazingsgebied en voor heideplaggen in de potstal. Families hadden een eigen boerderij, maar beheerden ook samen faciliteiten en gebieden. Dat soort bronnen zijn gemeengoed, of ‘commons’ in de woorden van de wereldberoemde politicologe Elinor Ostrom.
Schoorvoetend begonnen zich veranderingen veranderingen af te tekenen in dat boerenlandschap tegen het einde van de negentiende eeuw. En de molen De Leest is daar een teken van. Er werden nieuwe wegen en spoorwegen aangelegd, waarmee boerenproducten zoals vlees en boter nieuwe klanten konden bereiken in Engeland. Ook begonnen boeren op nieuwe manieren hun land te bewerken, waarbij ze zich gaandeweg toelegden op het houden van vee. Ze sloegen de handen ineen in regionale samenwerkingsverbanden. Zo leerden ze nieuwe technieken om hun inkomsten te verhogen. Waar de heide eerder gezamenlijk werd beheerd, kwam deze nu in private handen en werd ontgonnen en voor bosbouw benut. In Lieshout verrees in 1897 een boterfabriekje met de naam ‘Landbouwers welvaren’. Daar vervingen nieuwe apparaten als handkracht-melkcentrifuges het boterkarnwerk op de boerderij. Waar het land geschikt was voor akkerbouw, groeide vaak rogge, dat aan de groeiende aantallen koeien werd gevoerd. En om dat graan te malen, waren meer molens nodig. En zo kwam de commercialisering en mechanisering van de Brabantse landbouw op gang. De traditionele samenwerking van de boeren werd succesvol ingezet voor de groei van de individuele welvaart (Thissen, 1993).
Ambacht op een sokkel
Het kost wat moeite om door de openslaande deuren te manouvreren. Joyce helpt molenaarsleerling Rens (13) bij het naar buiten rijden van een zelfgebouwde modelmolen in donkergroen en rood-wit-blauw. De wieken worden eraan geschroefd en ook hier komt een hekje om heen te staan, zodat niemand een beruchte klap van de molenwiek hoeft op te lopen.
Joyce hoort bij de tweede generatie vrijwillige molenaars van De Leest. ‘Ik ben veel verschillende dingen [vrouw, ingenieur, hr-expert, geadopteerde Brabantse]. Molenaar is het meest Nederlandse deel van mijn identiteit. Ik vind dit gewoon vet. De techniek van het malen. Nederland heeft me zoveel gegeven, ik vind het te gek om zo iets terug te doen.’
Op dins- en zaterdagen draait de molen vaak, want dan zijn de vrijwillige molenaars op de molen. Maar alleen als de wind krachtig genoeg is malen Joyce en haar collega’s er graan mee. Waar de molen vroeger al met windkracht twee kon malen, is daar nu minstens windkracht vier voor nodig. Ooit gebouwd met een vrije windvang buiten het dorp, is de molen in de jaren zeventig en tachtig door een woonwijk ingesloten. De molenbiotoop werd daarmee flink verstoord.
Op dat moment was de molen al erfgoed. Een foto uit 1959 laat zien hoe de wieken vermolmd boven de belt uitstaken, die overgroeid was met struiken. Het verval zette ook nog een paar jaar door nadat experts van der Rijksdienst voor de Monumentenzorg de molen tot Rijksmonument aanwezen, in 1968. Zes jaar later kocht de gemeente de molen op. De struiken verdwenen, nieuw glas in de ramen geplaatst en er kwamen nieuwe wieken. Opnieuw maalt de molen, nu bemenst door molenaars in hun vrije tijd. En daarmee was Lieshout een nieuwe gemeengoed rijker. In eigendom van de gemeente, bemenst door geschoolde en ervaren liefhebbers in hun vrije tijd of tijdens hun pensioen.
De Leest staat er goed bij en er is aanwas onder de molenaars. Die zijn hard nodig om de molen te onderhouden en de benodigde kennis door te geven. Binnen een half jaar is het anders gedaan met de houten, bewegende delen van deze vroeg-industriële machine. ‘Het is wachten op een nieuw wiekenkruis van de gemeente, dan kunnen we weer een tijd vooruit.’ Jonge molenaars worden opgeleid binnen het Gilde en de liefde voor het ambacht wordt doorgegeven. Al maakt Joyce zich wel zorgen over jonge aanwas en de kwaliteit van het onderwijs dat zij krijgen.
De gepensioneerde molenaars van de Leest zijn doordeweeks vrij. Zij halen het graan voor de molen dan op in Erp, bij Fransen Gerrits. Ook dit molenaarsbedrijf stamt uit de periode 1900, toen de veeteelt in Brabant een schaalsprong maakte. Waar molenaar De Leest verloor met zijn ambachtelijke werkwijze snel terrein na de Tweede Wereldoorlog, wist Fransen Gerrits de schaalvergroting bij te houden en te specialiseren tot een grootschalige leverancier van veevoeders met drie grote fabrieken. Nu worden de restanten graan uit de graansilo’s in Erp voor de vrijwillige molenaars in zakken gedaan. Om zelf te malen in de Lieshoutse molen.
Fransen Gerrits is één van die regionale bedrijven die een belangrijke rol spelen in de groei die de landbouw in Noord-Brabant heeft doorgemaakt. Net als dit bedrijf, hebben de boerderijen zelf óók een onherkenbare sprong in schaal genomen. Zo groot dat de wal het schip lijkt te moeten keren, redeneert het Planbureau voor de Leefomgeving. De stikstofcrisis, te lage grondwaterstanden en gezondheidsproblemen door pesticiden geven de grenzen aan van deze vorm van agrarische groei. De teruglopende natuurwaarden in de regio liegen er niet om.
In de tijd dat de landbouw vercommercialiseerde voorbij de draagkracht van het landschap, werd De Leest tot erfgoed verklaard. Daardoor kwam er ruimte voor waardering van de molen zónder een economisch nut. Ruimte voor de liefde van Joyce voor het opzeilen, invetten van de unieke gietijzeren molenas en het malen van graan. En voor het plezier en de verwondering van mensen die op zaterdag even in de molen komen kijken, die worden ontvangen met enthousiaste uitleg, een film en live demonstraties. Een gemeengoed nieuwe stijl, dat gehoor geeft aan de vraag naar authentieke belevenissen en voedsel met een herkenbaar verhaal (De Jonge, 2014).
De schakel tussen de molenaars van De Leest en de agrarische sector in het Land van de Peel lijkt daarmee flinterdun geworden. De beltmolen is daarmee een eilandje gemeengoed, dat niet veel meer van doen heeft met z’n volgebouwde molenbiotoop of de landbouwproductieketen. Dat hoeft misschien niet zo te blijven. Noord-Brabantse watermolenaars langs de Dommel hebben al laten zien wat er mogelijk is als ze hun kennis en erfgoed inbrengen in innovatieve netwerken. Waar het daar draaide om waterberging en ecologie, ligt het potentieel van de Leest in het produceren en consumeren van producten op een schaal die bij de draagkracht van het landschap past. De technische interesse, de kennis van het ambacht op kleine schaal en de sterke sociale netwerken van molenaars zoals Joyce kunnen ook in Lieshout zaaigoed zijn.






7 jan 2026
Sleeën, nu het nog kan!
Hard steken de zwarte contouren van de bomen af tegen de loodgrijze lucht. Besneeuwde vingers van een eenzame handschoen steken door een tuinhek. Kinderstemmen scheren voorbij als loeiende sirenes van avontuur op topsnelheid. Daarvoor zijn ze hier naartoe gekomen uit heel Hilversum. Op besneeuwde winterdagen als deze is De Berg bij Anna’s Hoeve de meest populaire plek van de stad.
Ik had me de eerste werkdag als bijzonder hoogleraar Erfgoedparticipatie en de regio aan de Universiteit Tilburg iets anders voorgesteld. Een rondleiding over campus en wennen aan een nieuwe werkplek moeten even wachten. Er rijdt geen trein en de oppas blijft uit voorzorg thuis. Ik waag dus maar een dodemansritje per slee.
Het sneeuwt niet vaak zo veel als deze eerste week van januari 2026. Nieuwswebsites en Google AI schotelen me cijfers voor van historische records, waarbij de winter van 1979 eruit springt als de sneeuwstorm van de negentiende eeuw. De ontregeling die met de sneeuw gepaard gaat laat echter ook zien dat Nederland niet echt is ingesteld op dit winterweer.
Bij besneeuwde landschappen denk ik ook eerder aan Zweden, Zwitserland of Canada. Skiën doen we in de Alpen en voor langlaufen hebben we niet eens een Nederlands woord. De wintertenen gaan pas echt tintelen als vaarten en meren dichtvriezen; bij veel Nederlanders, maar vooral toch bij de Friezen.
In sommige regio’s speelt de winter een centrale rol in de ‘regionale identiteit’, zoals in Friesland door de Elfstedentocht. Als kind nam mijn vader me mee op oudejaarsdag, om te gaan kijken bij onze dorpsgenoten en hun tot kanon omgebouwde melkbussen. In heel Drenthe (en daarbuiten) rinkelen de ruiten en schrikt de natuur zich een ongeluk tijdens het carbidschieten.
In Scandinavië is de winter ook nauw verbonden met regionale identiteit, met een iets minder hoog adrenalinegehalte welteverstaan. Besneeuwde landschappen reflecteren het schaarse licht in de lange, schemerduistere uren. Althans, als we het boek Nightlands van architectuurhistoricus Christian Norberg-Schulz erop nalezen.
Er is stabiliteit nodig om je ergens thuis te voelen, zegt hij:
The word “durable“ is significant because it intimates that all transformations which are the signs of life, must be referred to something that remains, to be meaningful (p.15).
Hij vindt deze in de natuurlijke omstandigheden van de regio en de bouwtradities waarmee mensen daar een thuis van maakten (p. 51). Er is ook een Droste-effect in zijn boek te vinden. Want Norberg-Schulz schept in feite een eigen Scandinavië door deze regio te beschrijven (te bejubelen) in een boek met prachtige platen. Hij creëert door te schrijven een werkelijkheid die hij toevoegt aan de veelvoudige werkelijkheid. Dat doet hij in een weergave op papier, als een stukje erfgoed dat hij koestert en wil delen met zijn lezers. Daar wordt Scandinavië misschien wel meer Scandinavisch van dan daarvoor.
De laatste editie van de tocht der tochten kan ik me herinneren om de collage van nieuwsberichten die ik maakte in klas zes van de basisschool. De winters in Scandinavië zullen nog wel een tijdje wit blijven, maar de Elfstedentocht lijkt vooral een roemrucht item te worden op een lijst van immaterieel erfgoed. Het carbidschieten gaat nu op veel plekken aan banden vanwege de veiligheid en impact op dieren in natuurgebieden.
En wat doet dat dan met regionale identiteit? Smelt die weg met klimaatverandering en pogingen om kwetsbare natuurwaarden te behouden? Of wordt Friesland juist nog meer Fries met een museale Dag van de Elfstedentocht, ook als er geen ijs ligt?
Collega’s wensen me via de socials een fijne middag op de slee, want ‘zo vaak kan dat niet’. Sleeën is altijd leuk, maar extra bijzonder als je er maar zelden de kans toe krijgt. Wat schaars is koesteren we nou eenmaal zorgvuldiger. Zo zal het met die regionale identiteit ook wel loslopen, is mijn voorzichtige inschatting. Al trekken we er misschien minder vaak handschoenen bij aan.



